In de tweede helft van de 19de eeuw werden, als gevolg van de economische opbloei
en de daarmee samenhangende bevolkingsaanwas, buiten de Buitensingelgracht (Nassau-,
Stadhouders- en Mauritskade) nieuwe volkswijken gebouwd: in het zuiden de wijk
bekend als 'De Pijp', in het westen de Kinker- en de Staatsliedenbuurt en in het
oosten de Dapper- en de Indische buurt. Een diepe ingreep in de structuur van
de stad betekende de aanleg van de spoorwegen en vooral de bouw van het Centraal
Station (1881-1889), destijds sterk bekritiseerd wegens de afsluiting van het
open havenfront; hierdoor bleef de oude stad echter onaangetast en werd zij niet
doorsneden door spoorlijnen zoals vele andere grote steden. Een nieuwe uitbreiding,
grotendeels van arbeiderswijken, kreeg de stad vooral door de impuls van de Woningwet
van 1901.
Met de verkrijging in1300 van stadsrecht begon de opkomst van Amsterdam. De vestiging aldaar in of vóór 1323 van de tol voor de invoer van het Hamburgse bier in Holland is oorzaak geweest van de Amsterdamse vrachtvaart op Hamburg. Langzamerhand werd deze met enige eigen handel verbonden als tussenhandel in het verkeer van het Oostzeegebied met Vlaanderen. Dit leidde ertoe dat de Amsterdammers o.a. het 'Oosterse' graan ook naar hun eigen stad aanvoerden en daar opsloegen.
Amsterdam werd reeds in de 15de eeuw de korenschuur voor de Noordelijke Nederlanden en de grootste koopstad van Holland. Voor de oudere handelssteden aan de Zuiderzee werd Amsterdam een zware concurrent. Uitvloeisel daarvan waren de twisten met Deventer over de Katertol, die op de IJssel werd geheven. Deze conflicten bewijzen het grote belang dat Amsterdam ook had bij de handel via de genoemde rivier met het Rijnland.
In de lijn van de opkomst van Amsterdam als handelsstad valt de befaamde gebeurtenis van 1345, het Mirakel van Amsterdam geheten. In 1347 werd ter plaatse in de Kalverstraat waar het wonder van de in het vuur geworpen doch niet verbrande H. Hostie was geschied, de kapel Terheylighen Stede gesticht. Na een bedevaart naar deze kapel genas de Rooms-koning, later keizer, Maximiliaan van een ziekte. Uit dankbaarheid schonk hij in 1489 aan de stad het recht de keizerskroon boven het wapenschild te plaatsen. Door het beroemde handvest van graaf Albrecht van 1400 heeft zich in steeds sterkere mate de aristocratisch-oligarchische regeringsvorm van Amsterdam ontwikkeld, die de grote oppermacht van de vier burgemeesters verklaart welke in de tijd van de Republiek het Amsterdamse regeringsstelsel karakteriseerde.
Door het raadplegen in belangrijke aangelegenheden van de aanzienlijkste burgers ontstond, waarschijnlijk al vóór 1416 (het jaar waarin voor het eerst in de stukken sprake is van de 'vroetscippe') de Vroedschap, welk college in 1477 van Maria van Bourgondië het recht verkreeg om jaarlijks de nominatie op te maken waaruit door de stadhouder de schepenen, die de rechtspraak uitoefenden, werden benoemd. Om de stedelijke administratie te huisvesten, werd ca. 1395 op de Dam een raadhuisje gebouwd, dat in 1652 is vervangen door de (toen nog niet voltooide) schepping van Jacob van Campen (nu Koninklijk Paleis).
Door de uitbreiding van de stad na de grote stadsbrand van 1421 heeft zij reeds in 1425 de gedaante gekregen die door de schilderijkaart van Corn. Anthoniszn. van 1538 vertrouwd is. Amsterdam telde in 1538 ongeveer. 30000 inwoners, meer dan enige andere Noord-Nederlandse stad. Door deze bevolkingsaanwas heeft de bisschop van Utrecht in 1408 de parochie in tweeën gesplitst (stichting van de Nieuwe of Sint-Catharinakerk). Deze eeuw is tevens voor Amsterdam de eeuw van de kloosterstichting geweest (22 kloosters).
De aarden omwalling met houten palissadering rondom de stad werd in 1481 door een stenen muur vervangen; hiervan resten nog St.-Anthoniespoort (Waag), Schreierstoren en Munttoren. Als handelsstad kende het middeleeuwse Amsterdam geen scherpe klassetegenstellingen. In de 16de eeuw kwamen echter reformatorische bewegingen de betrekkelijk rustige ontwikkeling verstoren, waardoor het stadsbestuur buiten de stad steun moest zoeken bij de landsregering. Bij de nadering van de koninklijke troepen in 1567 weken de gereformeerden uit en werd de stad door Alva bezet. Toen de krijgskans in 1572 keerde, begon voor Amsterdam, dat de koning trouw bleef, de afsluiting, waaraan pas een einde kwam door de Satisfactie van 8 febr. 1578, waarbij de stad zich met Holland verzoende. Op 26 mei kwam het tot een revolutie, de Alteratie, waarbij de oude regering alsmede de geestelijkheid uit de stad werd geleid, waarna de drie stedelijke schutterijen een nieuwe regering kozen.
De hernieuwde onderwerping van de Zuidelijke Nederlanden aan het Spaanse gezag, die haar bezegeling vond in de verovering van Antwerpen door Parma in 1585, betekende een nieuw keerpunt in de geschiedenis van Amsterdam. Antwerpen was het voornaamste handelscentrum van West-Europa geweest. De verovering van die stad, gevolgd door de sluiting van de Schelde door de geuzenvloot, deed vele Zuid-Nederlandse kooplieden uitwijken naar het noorden, met name naar Amsterdam. Iets later kwamen gevluchte of verbannen Portugese joden zich daar vestigen, gevolgd door andere vreemdelingen. Handelsrelaties en handelskennis van deze vreemdelingen werkten de snelle expansie van de Amsterdamse handel aan het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw in de hand. De van oudsher belangrijke Oostzeehandel groeide als nooit tevoren, de handel met Rusland werd de Engelsen ontnomen en de Straatvaart, dwz. de handel op Italië en de Levant door de Straat van Gibraltar, nam een aanvang. De walvisvangst bleef ook na de opheffing van de Noordse Compagnie tot diep in de 18de eeuw van groot belang. Een consortium van Amsterdamse kooplieden was het dat in 1595 Cornelis de Houtman als eerste naar Indië zond. Amsterdam participeerde sinds de oprichting in 1602 voor ten minste de helft in de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
De enorme winsten leidden al spoedig tot de oprichting van een West-Indische Compagnie, waarin Amsterdam evenveel invloed had. Met het ontstaan van de groothandel hing de behoefte aan een goederenbeurs samen. Nadat tevoren de kooplieden in de Warmoesstraat in de openlucht waren samengekomen, verkregen zij in 1611 hun eerste beursgebouw, dat door Hendrick de Keyser over het Rokin bij de Dam was gebouwd. Behalve goederen werden reeds in de aanvang van de 17de eeuw enkele effecten verhandeld, nl. aandelen van de Oost-Indische en West-Indische Compagnie en obligatiën van Holland en van de Generaliteit. Ongeveer in dezelfde tijd was een niet minder gewichtige stedelijke handelsinstelling opgericht, de Wisselbank, die werd ondergebracht in de parterreverdieping van het raadhuis. Opgericht in 1609 met het doel de verwarring in het muntwezen te bestrijden. Deze instelling ontwikkelde zich tot een girobank. De gegevens omtrent de omzet van de Wisselbank bevestigen de conclusie die ook uit de cijfers van de in- en uitvoerrechten, konvooien en licenten geheten, is te trekken, dat het jaar 1648 voor Amsterdam een economisch hoogtepunt is geweest en dat na een periode van teruggang in ca. 1680 in sommige takken van handel, in het bijzonder in de handel op West-Indië, in de edelmetaal- en in de graanhandel opbloei en expansie zijn waar te nemen, die ook gedurende de eerste decennia van de 18de eeuw nog voortduurden. Daarna liep de conjunctuur iets terug om zich tot het einde van die eeuw op dat lagere niveau te handhaven. Ook de cijfers van de jaarlijks te Amsterdam binnengelopen zeeschepen verlenen steun aan deze conclusie. In 1662 vielen bijv. 2796 schepen de Amsterdamse haven binnen tegen 3861 in het jaar 1695 en 2184 schepen in 1747. De cijfers van de opbrengsten van de belastingen op de handel, zoals de waagimpost e.d., die niet alleen de buitenlandse handel overzee, doch ook de overlandse benevens de binnenlandse handelsbeweging weerspiegelen, bewijzen echter dat de hernieuwde hoogconjunctuur van het einde van de 17de eeuw niet de gehele bevolking ten goede kwam. Ook de ongunstige cijfers over deze periode van vondelingen, gevangenen en opgebrachte bedelaars wijzen hierop, terwijl het volkomen ontbreken van elke economische of sociale hulp voor de grote stroom immigranten het toenemen van de misdaden, vooral tegen het vermogen, in de hand werkte, ondanks de wrede wijze van bestraffing.
Met ruim 625 buitenlandse havens onderhield Amsterdam in de 18de eeuw nog handelsrelaties, zodat het in de eerste helft van die eeuw nog steeds de voornaamste wereldmarkt was. Meer en meer kwamen echter in die tijd de eigen handel en scheepvaart van andere landen tot ontwikkeling. Bovendien breidde zich het directe verkeer tussen de landen van oorsprong en van bestemming sterk uit, zodat er aan een stapelmarkt als Amsterdam veel minder behoefte ging bestaan. Als centrum van de wereldhandel was Amsterdam tevens een belangrijk financieel centrum geworden. Steeds was hier geld beschikbaar voor binnen- en buitenland. De door sommigen al te gemakkelijk verleende kredieten leidden in 1763 echter tot een beurscrisis. Tien jaar later had de beurs een nieuwe crisis te doorstaan als gevolg van de haussespeculatie in aandelen Engelse Oost-Indische Compagnie, zodat het stadsbestuur, om aan de behoefte aan krediet tegemoet te komen, een Beleenkas oprichtte, die voorschotten gaf. Toch hebben de eerste regeringsjaren van Willem V nog veel rijkdom en welvaart aan Amsterdam gebracht. Pas de Vierde der Engels-Nederlandse Oorlogen (1780-1784) heeft aan Amsterdam een onherstelbare slag toegebracht. De langdurige afsluiting van de zee in de dagen van de Revolutie van 1795 en van Napoleon heeft aan de oude Amsterdamse handel ten slotte de genadeslag gegeven en het de leiding van de wereldhandel ontnomen. Al was Amsterdam in de eerste plaats een handelsstad, het heeft gedurende de 17de en 18de eeuw ook een belangrijke nijverheid binnen zijn muren gehuisvest (scheepsbouw, bierbrouwerij, katoendrukkerij, boekdrukkerij, tabaksbewerking, diamantindustrie en suikerraffinaderij), maar anders dan voor de handel was de 18de eeuw voor een deel van de industrie niet meer een tijdperk van bloei. De lakenververij ging teniet, evenals de luxebedrijven, hier gesticht door de Franse refugiés die na de herroeping van het Edict van Nantes (1685) hierheen gekomen waren. In 1748 ontstond te Amsterdam een oproer tegen de belastingpachters, waarna stadhouder prins Willem IV door de Staten werd gemachtigd om burgemeesteren en vroedschappen aldaar door zijn eigen aanhangers te vervangen. Na zijn dood kwamen zijn aristocratische en democratische tegenstanders (de patriotten) weer aan de macht, totdat in 1787 na het incident te Goejanverwellesluis de prinsgezinden weer het heft in handen kregen. In 1793 verklaarde Frankrijk echter de oorlog aan de stadhouder en dus aan de Republiek, waarna in jan. 1795 de Franse legers onder Pichegru over de grote rivieren trokken, ten gevolge waarvan op 19 januari. te Amsterdam de democratische omwenteling werd geproclameerd die een einde maakte aan de eeuwenoude regentenheerschappij en tevens aan de belangrijke politieke invloed die Amsterdam in de Staten van Holland en daarmee in de Republiek had. |